Hoe tof is die boom?

In Genesis 2 en 3 lezen we over de boom van kennis van goed en kwaad. Maar gaat het hier over morele kennis óf over wat anders? En waarom verliest de mens zijn relatie met God door een hap van de vrucht van een simpele boom?

Twee bomen, één kennis

9 En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen, begerenswaardig om te zien en goed om van te eten; ook de boom des levens, in het midden van de hof, en de boom van de kennis van goed en kwaad.

Genesis 2:9 (HSV)

Telkens wanneer we spreken over deze boom, en het feit dat er later van wordt gegeten, vertalen we dit door naar hét moment waarop de mens morele kennis heeft gekregen van goed en kwaad. Of zelfs tússen goed en kwaad. Waarom kennis van beide? Waarom niet de boom van kennis van kwaad?

Het lijkt dus te gaan om morele kennis. Wat is goed? Wat is niet goed en daar mee moreel ‘slecht’ of ‘kwaad’?

Het ‘goed’ van deze boom is de vertaling van het Hebreeuwse woord ‘tov’1. En de eerste keer dat we dit woord tegenkomen is in Genesis 1:

4 En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.

Genesis 1:4 (HSV)

Het licht is ‘goed’, wordt hier verteld. Maar ‘licht’ kan niet moreel ‘goed’ of ‘slecht’ zijn. Het licht is ‘goed’ als tegenhanger van de duisternis. Dit refrein zien we telkens terug in Genesis 1.

10 En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was.

Genesis 1:10 (HSV)

12 En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:12 (HSV)

18 om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.

Genesis 1:18 (HSV)

En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Vers 21 (de dieren in het water zijn ‘goed’2), vers 25 (de dieren op het land zijn ‘goed’3), vers 31 (Gods eindconclusie is dat de aarde zéér goed is4).

Alles wat ‘goed’ wordt genoemd heeft niets te maken met een moréle goedheid. Dat zou namelijk betekenen dat de afwezigheid van deze dingen moreel ‘slecht’ zouden zijn.

De goedheid van wat hier allemaal wordt benoemd, gaat erover dat al deze scheppingsmomenten een ‘organiserende functie’ hebben. Dus geen morele functie, maar een organiserende functie. Goedheid is hier ‘organiseren’, ‘inrichten’ of ‘verzorgen’.

In hoofdstuk 2:18 lezen we over Gods overdenkingen over het scheppen van de vrouw:

18 Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.

Genesis 2:18 (HSV)

God spreekt er niet zozeer over dat het moreel slecht is dat de man alleen is. In plaats daarvan schept hij een gelijkwaardige tegenhanger, die het evenwicht herstelt.

Je kunt het woord ‘goed’ of ‘tov’ uit de eerste hoofdstukken van Genesis niet gelijktrekken met morele goedheid. Met ‘recht’ en gerechtigheid’ daar heeft het Hebreeuws andere worden voor.

In Eden betekent ‘goed’ ‘geordend’. De boom is niet het middelpunt van morele kennis. De betekenis van ligt dichter bij ‘de boom van de kennis van orde en wanorde’ dan bij moreel ‘goed en kwaad’.

Niet eten

Terug naar het gebod van God over de boom:

16 En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten,
17 maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten

Genesis 2:16-17 (HSV)

Áls de uitleg over ‘orde en wanorde’ (of misschien zelfs ‘chaos’) waar is, waarom mogen ze er dan niet van eten? Er is toch niets mis met kennis krijgen door iets te eten? Waarom is het simpel eten van een vrucht van een boom verboden?

De sleutel zit in de vraag hoe de mens in hoofdstuk 2 telkens kennis krijgt.

15 De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.

Genesis 2:15 (HSV)

God creëert een hof, vervolgens leert de mens die te onderhouden.

19 De HEERE God vormde uit de aardbodem alle dieren van het veld en alle vogels in de lucht, en bracht die bij Adam om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn.

Genesis 2:19 (HSV)

Er zit hier een hele mooi omschrijving in: God brengt de dieren “om te zien hoe hij ze zou noemen”. En hoe de mens het ook noemt, zo zou de naam zijn.

Hier zit een ‘wederzijds leren’ in: God biedt het dier aan en wacht daarna hoe de mens het noemt. De kennis over de naam komt dus uit de interactie tussen God en de mens.

Uiteindelijk brengt God een diepe slaap over de Adam en schept een vrouw:

21 Toen liet de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees.

Genesis 2:21 (HSV)

En als God de vrouw bij Adam brengt krijgt hij een openbaring van kennis:

23 Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn beenderen, en vlees van mijn vlees!

Genesis 2:23 (HSV)

In hoofdstuk 2 krijgt de mens dus kennis over lichamelijke inspanning, landbouw (beide vs. 15), het dierenrijk (vs. 19) én de gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw (vs. 23). En al die kennis komt rechtsreeks van God!

Maar wat gaat er dan mis in hoofdstuk 3?

We hebben al gezien dat we de boom van kennis van goed en kwaad niet hoeven te lezen als moreel goed en slecht, maar als symbool van de scheppingskracht van God: orde scheppen uit de chaos, uit de wanorde. Dáár gaat de kennis over.

Maar dan start hoofdstuk 3. Dit is het eerste moment dat de mens kennis wil krijgen via de schepping in plaats van via de Schepper.

1 De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld, die de HEERE God gemaakt had;

Genesis 3:1 (HSV)

Let op de nadruk of dat God de slang (en alle andere dieren) gemaakt heeft.

En het schepsel, de slang, vestigt de aandacht op weer een ánder schepsel, de boom. In hoofdstuk 2 lezen we dat dit ook van de hand van God komt:

9 En de HEERE God liet allerlei bomen uit de aardbodem opkomen,

Genesis 2:9 (HSV)

Wanneer Adam en Eva kennis krijgen door te eten, omzeilen ze hun eerdere relatie met God. Dát is wat hier misgaat! Wanneer Adam en Eva Gods gebod overtreden en van de boom eten, proberen ze Gods inzicht in orde te krijgen zónder een relatie met Hem aan te gaan.

In Spreuken 6 lezen we het volgende:

5 dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen,
de kennis van God vinden.
6 De HEERE geeft immers wijsheid,
uit Zijn mond komen kennis en inzicht.

Spreuken 2:5-6 (HSV)

Het doel is de kennis van Gód, niet van goed en kwaad. En de bron van dié kennis is God Zelf en Zijn mond!

De mens probeert in Genesis 3 kennis of inzicht te krijgen over orde en chaos en niet de kennis van God. Het verhaal is een waarschuwing voor ons: Ga niet je doel en creativiteit in jezelf zoeken. Genesis moedigt ons aan om ons doel te ontdekken, niet via de boom, maar via God.

Toorn over de onrechtvaardigen

Het laatste deel van het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen vertelt over de toorn van God over de onrechtvaardigen. Ik wil je meenemen naar vers 25:

25 Zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen.

Romeinen 1:25 (HSV)

Genesis vertelt ons het verhaal over wat Paulus hier de perverse voorkeur voor het schepsel in plaats van de Schepper noemt. En wát doet God? Hij kleedt Adam en Eva uit zorg en hoop dat de mens zich opnieuw toch God als bron van kennis zal wenden.

Voetnoten

  1. Strongs h2896
  2. 21 En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.

    Genesis 1:21 (HSV)

  3. 25 En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.

    Genesis 1:25 (HSV)
  4. 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

    Genesis 1:31 (HSV)